De Sint Stevenskerk

Op het eind van de 15e eeuw zag de Stevenskerk er totaal anders uit dan tegenwoordig. De soberheid van de reformatie die de Stevenskerk nu kenmerkt staat averechts op het in kleuren geschilderde interieur met tientallen aangeklede altaren, een doksaal en vele andere religieuze kunst.  Naast de drie hoofdaltaren en de grafmonumenten hadden de meeste gilden een eigen of een gedeeld altaar met altaartuin.

Als je in de serene, monumentale wit gepleisterde kolossale ruimte van de Stevenskerk staat is die vijftiende-eeuwse inrichting moeilijk voorstelbaar en zeker als je bedenkt hoe kleurrijk en gevuld de ruimte indertijd was begrijp je een grapje uit katholieke kring: “hij staat nog in de grondverf…”

…betreden wij voorbij het oksaal de kooromgang. Hier rijen zich de kapellen aaneen, waar de Broederschappen en Gilden hun altaren hebben gebouwd. (Zie: Brinkhoff, Rondom de Stevenstoren pag.66-67)

Slechts een vage voorstelling kan gemaakt worden van het bonte leven in deze kerk, waarin geestelijkheid, magistraat, de gilden en het gemene volk elk hun eigen aandeel hadden. Een hevige machtsstrijd in de laatste decennia van de 16 e eeuw voltrok zich ten nadele van de gelovigen, die voor één der dertig altaren hun dagelijks gebed richtten tot Maria en alle Heiligen, ter voorspraak bij de Gekruisigde Heer van de Kerk der Eeuwen… (Zie Bundel pag.7)

Op een aparte pagina maken we een rondgang door de kerk vanuit het perspectief van het jaar 1500.
Gisbert Schairt van Bommel (1375-1452) heeft een groot aandeel gehad in de Stevenskerk zoals we hem nu nog kennen. Deze bouwmeester was ook bouwheer van de Sint Victor in Xanten, waarvan het interieur nog oorspronkelijke kenmerken heeft en de Sint Petrus en Pauluskerk in Kranenburg. Wie de Stevenskerk in de 15e eeuw wil begrijpen dient echt een uitstapje naar Xanten en Kranenburg te maken.
De kerk werd tijdens de hertogen Willem en Reinoud (1371-1428) vergroot tot een hallekerk. De zuidbeuk kreeg een rijk versierde ingang.  Bij de bouw van de huidige entree in de 16e eeuw is die weer afgebroken. Meester Gisbert heeft zijn werk niet af kunnen maken maar zijn prestatie was er niet minder om. Het hoofdkoor is zijn schepping en ondanks dat het theoretisch niet af is, een fraai geheel met radiale spitsbogen die we ook in Xanten en Kleef tegenkomen. Ook voor Kranenburg heeft Gisbert Schairt van Bommel een koor met straalkapellen ontworpen zoals in Nijmegen. De Stevenskerk is een prachtig toonbeeld van de Nederrijnse en Gelderse bouwkunst. (Zie Bundel pag.74)

Het altaar van Sint Steven heeft ondanks verbouwingen tot 1591 altijd op dezelfde plaats gestaan. Net voor het hoogkoor wat van de rest van de kerk werd gescheiden met een afsluiting, een doksaal genoemd. Het zal de Stevenskerk sieren daar ‘iets’ te plaatsen wat het oude besef en de naamgever van de kerk in ere houdt. Ten tijde van het Antependium werd er door de kanunniken op dit priesterkoor op vaste tijden gebeden, ongestoord door de bewegingen in de kerkruimte. Hoe het doksaal er uit zag weten we niet. Wel dat het na 1402 is gebouwd, in de 16e eeuw werd vernield en een nieuw werd geplaatst en weer vernield.

De kerk werd circa 1475 tot kapittelkerk verheven. Het volgende stadium in de vergroting was de bouw van het driebeukig transept, dat grotendeels in de 16de eeuw tot stand kwam en hier en daar vroege renaissance-vormen vertoont. De tekening hierboven toont bewust niet de verbouwingen die na 1500 hebben plaats gevonden.  Naast de uiterlijke kenmerken is met name het interieur rond die tijd  totaal anders dan nu.

            (Begin jaren vijftig van de 16de eeuw werden nog verschillende pijlers opgericht en kregen de zijbeuken hun gewelven. Het onvoltooide transept is vermoedelijk in 1559 in gebruik genomen. Tegen de zuidgevel staat het unieke midden-16de-eeuwse ‘Paradijsportaal’. Dit vijfzijdig uitgebouwde, open portaal in rijke laatgotische vormen wordt gedekt door een stergewelf. Aan de noordzijde van het transept bevindt zich een smalle, rond 1566 voltooide aanbouw, die het stadsarchief (de ‘Blok’) en de H. Grafkapel bevatte. Net als bij het koor heeft men de lichtbeuk van het transept niet voltooid. Onuitgevoerd bleef ook de vergroting van het schip met dubbele zijbeuken en een nieuwe lichtbeuk.)

In de Sint Stevens had de Olafs-broederschap van de schippers een Olofsaltaar (altare sancti Olavi martyris). Daarnaast bezat de broederschap een eigen kapel  waar mogelijk het Antependium hing aan de waalkade.

De wederzijdse beïnvloeding van de kerken duurde zeker tot in de 16e eeuw door. Zo kreeg Kranenburg in 1563 een altaarstuk van Ernst Roelofs. Maler (Zie: Hekster pag. 21) en in diezelfde periode sloot de Stevenskerk een contract met dezelfde schilder om een altaarstuk te maken met volgens Gorissen  dezelfde beeldtaal.